Waterpark Groote Beerze biedt veel variatie in een relatief kleine gebied. Het gebied is ideaal voor de natuurliefhebbende wandelaar, maar ook voor groepjes studenten en andere leergierigen die hier een educatieve middag kunnen beleven.

Overzichtskaartje van het gebied
Zowel ten noorden als ten zuiden van de rioolwaterzuivering (RWZI) zijn helofytenvelden aangelegd, het noordelijke veld bevat riet en het zuidelijke is aangelegd met mattenbies. Deze natuurlijke filters zijn gebaseerd op de idee bestaande wetlands in de Verenigde Staten waar het een veel voorkomende en effectieve manier van waterzuivering is.
Het gezuiverde water uit de RWZI wordt geborgen in een verzamelsloot vanwaar het gecontroleerd het helofytenfilter wordt ingelaten. Wanneer men het water rechtstreeks vanuit de RWZI in het helofytenfilter zou laten dan zou het gehele filter wegspoelen en dit is niet de bedoeling. In een helofytensloot groeien helofyten. Dat zijn moerasplanten zoals mattenbies en riet. Deze zorgen ervoor dat via het wortelstelsel zuurstof in de bodem komt, waardoor er voor bacteriën een goede omstandigheden zijn om stoffen als koolstof, fosfaat en nitraat om te zetten.

De filter zal niet bevriezen doordat het effluent van de rwzi circa tien tot vijftien graden Celcius is. Bacteriën kunnen hierdoor in de winter het afvalwater ook zuiveren.
Een dwarsdoorsnede van het helofytenfilter en het moerasbos

Vervolgens stroomt het water via een buffervijver naar een bosgebied met elzen en wilgen, het zogenaamde moerasbos. Ook daar vindt nog eens extra zuivering plaats waarna het in De Groote Beerze stroomt.
Omdat de ontwikkeling van waterzuivering met behulp van natuurlijke filters nog in de kinderschoenen staat en men graag wil bekijken of er verschillen zijn tussen verschillende filters heeft men in het zuiden gekozen voor mattenbies en in het noorden voor riet. De mattenbies is op de zandgrond slecht aangeslagen en heeft veel concurrentie gekregen van planten als lisdodde en liesgras. Ook kreeg kroos op plaatsen de overhand in het zuidelijke gedeelte. In het noordelijke gedeelte ondervond het riet weinig hinder en groeit gestaag met een goede filterende werking tot gevolg.
De Groote Beerze De Groote Beerze is één van de beken in het stroomgebied van de Dommel, het belangrijkste bekenstelsel in het oostelijk deel van Noord-Brabant. De laaglandbeek heeft haar oorsprong op het Kempisch hoog ten zuiden van de dorpen Reusel, Bladel en Eersel. De Groote Beerze stroomt door een afwisselend landschap met bos, heide en graslanden. De beek mondt uiteindelijk bij Boxtel en Sint-Michielsgestel in de Dommel uit. Vroeger, tot halverwege de twintigste eeuw, slingerde de beek door het landschap. Later is de beek rechtgetrokken en breder gemaakt.
Ter hoogte van het waterpark stroomt aan de westkant De Groote Beerze. Hier is naast de oude, rechte loop een meanderende (kronkelende) nieuwe bedding gegraven als onderdeel van het waterpark. Waar de oude en nieuwe loop splitsen, is een drempel gemaakt zodat het water bij weinig wateraanvoer door de nieuwe meanders stroomt. Alleen bij veel wateraanvoer verdrinkt de drempel en kan het water ook door de oude bedding stromen. Zo kon de meander qua omvang beperkt blijven en wordt wateroverlast beperkt. Verder wordt door + de hermeandering het zelfreinigende vermogen van de beek vergroot.
In de beek spelen zich vele processen af. De effecten van sommige effecten, zoals erosie en sedimentatie zijn duidelijk te zien. Erosie treedt op in buitenbochten. Hier stroomt het water het snelst. Het water schuurt het zand van de oever weg en zet dat zand iets verder weer af. Dit wordt sedimentatie genoemd. Meestal gebeurt dat in binnenbochten waar veel minder stroming is. Door erosie en sedimentatie ontstaan er verschillen in waterdiepte. De buitenbocht is meestal diep en heeft een steile oever. De binnenbocht is vaak ondiep en vlak.
De invloed van processen varieert ook in tijd. Zo is er bij laag water geen erosie, terwijl bij hoog water soms hele stukken oever in het water vallen.
De natuur zal uiteindelijk bepalen welke vormen de beek zal aannemen en hoe dit zal veranderen in de tijd. Door de afwisseling tussen kaden, oevers en afwisselend natte en minder natte stukken ontstaat er een grote verscheidenheid aan planten en dieren die zich in het gebied kunnen vestigen.
MoerasbosDe planten en bomen halen met hun wortels extra voedingsstoffen zoals stikstof en fosfaat uit het water. Dit is noodzakelijk voor een goede leefomgeving in het beekdal.
In het moerasbos staan verschillende soorten wilgen (Salix). Ze kunnen een struik of een boomvorm hebben. Daarnaast staan er veel Zwarte Elzen. Zij laten zich goed mengen met andere soorten. De Zwarte Els (Alnus glutinosa) groeit goed op natte gronden. Zelfs op plaatsen die een groot deel van het jaar overstroomd zijn, kan deze soort nog een bos vormen. De jonge boompjes verdragen weinig of geen schaduw en moeten geplant worden in het volle licht. Zwarte Els is een bodemverrijkende boomsoort omdat micro-organismen die op zijn wortels leven stikstof uit de lucht fixeren. De wortels zijn goed ontwikkeld en resistent tegen wateroverlast zodat de Zwarte Els de ideale boom is om oevers van beken en vijvers te stabiliseren. Het is ook mogelijk om Zwarte Els aan te planten op drogere bodems die vruchtbaar en leemhoudend zijn.
Het moerasbos ligt lager dan het rietland. Op droge dagen is de waterstand in het moerasbos laag. Bij regenachtig weer kan ook in het moerasbos water worden opgeslagen. Het peil staat dan ruim één meter hoger dan normaal. Later wordt het water gedeeltelijk weer geloosd op de Groote Beerze. Hiermee worden pieken in de waterstand van de beek voorkomen en ontstaat er dus stroomafwaarts minder overlast.
Om het moerasbos in stand te houden is onderhoud nodig. Het moerasbos wordt dan ook elke tien jaar uitgedund. Het hout wordt dan afgevoerd, zodat er niet alsnog extra voedingsstoffen in het water terechtkomen.
U kunt het pad volgen langs het moerasbos over de kades, maar u kunt ook dwars door het moerasbos heen wandelen over het speciaal daarvoor aangelegde knuppelpad. Als u over het knuppelpad loopt kunt u de variatie in flora en fauna in het moeras van dichtbij bekijken.
Het open waterbassinHet open waterbassin is te vinden aan de noordzijde van het waterpark. Het beslaat tien procent van het totale waterpark. Dit komt neer op ongeveer 0,5 hectare. De functie van de bassin is een buffer, variatie in het landschap en eventueel de bezinking van slib en omzetting van nitraat in stikstof.
Dit proces is belangrijk, omdat stikstof er voor zorgt dat planten eiwitten kunnen opbouwen.
WandelpadenIn het gebied zijn wandelpaden aangelegd. Langs de wandelpaden staan verschillende informatieborden waarop de werking van het moerasbos staat uitgelegd.
De rioolwaterzuivering zuivert het water. Dit water gaat via een buizenstelsel naar de helofytenfilters, vervolgens naar het moerasbos en komt uiteindelijk terecht in de Groote Beerze. Dit heeft twee voordelen:
Naast de reinigende werking van het gebied op het afvalwater komen er ook veel dieren en planten in het gebied voor. Hieronder een korte beschrijving van een aantal van deze dieren en planten.

Vaak zie je witgatje pas als het steil uit een plas opvliegt. Het witgatje heeft een donkerbruine, bijna zwarte bovenzijde met daaraan vast een spierwit achterlijf. Witgatjes zijn trekvogels en bezoeken onze streken hoofdzakelijk in het voorjaar en de herfst. Een klein aantal overwintert of blijft in de zomer. De soort broedt vooral in de moerasbossen van Noord-Europa en Azië.

Watersnippen leven van wormen, insecten, weekdieren en schaaldieren. Ze komen vooral voor in moerassen en natte heide. Zowel het mannetje als vrouwtje verzorgen voor de jongen die tussen april en juli uitkomen. De ouders zorgen elk voor een eigen groepje van de jongen. Van augustus tot oktober vertrekt een gedeelte van de vogels naar het zuiden en westen van Europa. De meeste blijven echter in Nederland overwinteren.
De soort broedt vooral in natte (veen)weidegebieden. Door ontwatering en intensivering van de landbouw is hij op veel plaatsen om Nederland sterk in aantal achteruit gegaan. De bovenzijde van de vogel is bruin met witte en zwarte vlekjes. De buik en borst zijn witachtig. De vogel heeft een lange snavel en voor steltlopers korte poten.

IJsvogels zijn in de broedtijd kenmerkende vogels van beken en rivieren met zoet, stromend water. In mindere mate wordt ook bij stilstaande, visrijke wateren gebroed. De aanwezigheid van zandige of lemige oeverranden is een vereiste, omdat daarin de nesttunnel wordt uitgegraven. 's Winters worden ijsvogels ook bij meer open en brakke of zoute wateren gezien. Het enige wat dan telt, is de aanwezigheid van voldoende voedsel - kleine visjes, waterinsecten en dergelijke - en een ijsvrij, helder wateroppervlak om dat voedsel te kunnen bemachtigen. De IJsvogel staat op de Rode Lijst omdat het aantal broedparen duidelijk is afgenomen en de verspreiding gering is. Het moeizame herstel van de ijsvogel na de laatste strenge winters heeft alles te maken met de achteruitgang van de kwaliteit van het belangrijkste broedbiotoop; de beken. Negatieve factoren zijn het kanaliseren, waarmee broedgelegenheid verdwijnt en de beek 's zomers sneller uitdroogt, en de vermesting, waardoor het water troebel wordt en belangrijke prooidieren verdwijnen. Het herstel van natuurlijkheid van beken staat centraal in verschillende herstelprojecten, van zo'n herstel zal de IJsvogel als 'toppredator' van het beekecosysteem zeker profiteren.
Rietgors (Emberiza Schoeniclus)Men kan de Rietgors natuurlijk aantreffen in rietlanden maar ook in weidegebieden met slechts hier en daar wat riet langs een slootkant. De algemene verspreiding van de rietgors in Nederland is mogelijk omdat een geschikte leefomgeving voor de Rietgors op veel plaatsen verspreid over Nederland voorkomt. De rietgors is niet erg kieskeurig bij het kiezen van een geschikte nestplaats. Het nest wordt meestal laag boven de grond gebouwd in een pol gras of biezen, maar ook een struik behoort tot de mogelijkheden. De hoofdbestanddelen van het nest zijn gras en mos. De bekleding betstaat uit fijne grassprieten, haar of rietpluimen. Jaarlijks kunnen er twee of drie legsels zijn. Hoewel het broeden hoofdzakelijk door het vrouwtje wordt gedaan, worden de jongen door beide ouders verzorgd.
Blauwborst De Blauwborst is iets kleiner dan een mus. Er zijn twee vormen van de blauwborst. L.s. svecica heeft een rode ster op de blauwe borst. Deze soort komt voor in Scandinavië en Rusland en is in Nederland een zeer zeldzame doortrekker. De soort die bij ons voor komt is de L.s. cyanecula Deze heeft een witte ster op de blauwe borst. Voor de leek is de blauwborst een onbekend vogeltje. Dat komt vooral omdat het geen huis- en tuinvogel is, maar een bewoner van waterrijke gebieden waar ze in wat zompige terreintjes met een dichte vegetatie waarin wat ijle struiken voorkomen. Op die plaatsen kan men hem als men de zang kent, ze ook zingend vinden. Het broedgebied van de Blauwborst reikt van Nederland en België in het westen tot in Midden-Europa en verder via Polen, Rusland tot in Oost-Siberië. Onze Blauwborst komt in Nederland voor als zomergast. In de herfst trekt de Blauwborst naar West-Afrika tot zuidelijk van de Sahara.
Het nest ligt vrijwel altijd bij water op drassige grond. Het nest bestaat uit halmen en strooisel en wordt bekleed met mos, haren en eigen dons. De vier tot zes eieren worden door beide ouders bebroed en de jongen worden eveneens door beide ouders verzorgd.

Deze vogel leeft op het platteland en bij boerderijen. Ze broeden in ruige slootkanten, in steenhopen, stapels griendhout of riet, in knotwilgen, muurnissen, onder bruggen en in kassen. De Witte Kwikstaart eet vooral insecten. Het is een zomergast. In augustus trekt de Witte Kwikstaart weer naar het zuiden.
Grote Gele Kwikstaart (Motacilla cinerea)De Grote Gele Kwikstaart is maar iets groter dan de Gewone Gele Kwikstaart, maar hij is altijd te herkennen aan de lange zwarte staart met opvallende, witte, buitenste pennen en de grijze rug. Grote Gele Kwikstaarten hebben een uitgesproken voorkeur voor snelstromend water. Deze vogel treft men aan op akkerland en weiland, maar ook plaatselijk in riet- en moerasgebieden en langs dijken.

De Dotterbloem valt op door haar mooie gele bloemen. De plant wordt zon vijftien tot dertig centimeter groot en bloeit in maart tot juni. De dotterbloem staat graag met haar voeten in het water en is te vinden langs waterkanten, in drassige (gras)landen en moerasbossen. In De Groote Beerze zit veel ijzer. De Dotterbloem komt vaak voor op plaatsen met ijzerhoudend (kwel)water.
© Waterschap De Dommel
