Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Waterschap De Dommel

Verordening van het algemeen bestuur van het Waterschap De Dommel houdende regels omtrent beleids- en verantwoordingsfunctie Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie Waterschap De Dommel

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
Organisatie Waterschap De Dommel
Organisatietype Waterschap
Officiële naam regeling Verordening van het algemeen bestuur van het Waterschap De Dommel houdende regels omtrent beleids- en verantwoordingsfunctie Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie Waterschap De Dommel
Citeertitel Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie Waterschap De Dommel
Vastgesteld door algemeen bestuur
Onderwerp bestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Beleids- en verantwoordingsfunctie 2008.

Deze regeling werkt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 108 Waterschapswet
  2. hoofdstuk 4 Waterschapsbesluit

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

waarderings-, activerings- en afschrijvingsbeleid;

reserve- en voorzieningenbeleid;

kostentoedelingsverordening;

weerstandsvermogen;

treasurystatuut;

budgethoudersregeling

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

02-08-2016 01-01-2016 nieuwe regeling

13-07-2016

Waterschapsblad, 1 augustus 2016

.

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie Waterschap De Dommel

Het algemeen bestuur van Waterschap De Dommel besluit,

gelet op artikel 108 van de Waterschapswet en hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit,

vast te stellen:

de Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie Waterschap De Dommel

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 (definities)

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen en verwerken van gegevens alsmede het verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van het waterschap en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • b.

    financiële administratie: het onderdeel van de administratie dat omvat het systematisch maken en verwerken van aantekeningen betreffende de financiële gegevens van (onderdelen van) de organisatie van het waterschap, teneinde te komen tot een goed inzicht in:

    • .

      de financiële positie;

    • .

      het financieel beheer;

    • .

      de uitvoering van de begroting;

    • .

      de uitvoering van investeringsprojecten;

    • .

      het afwikkelen van vorderingen en schulden;

      alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover;

  • c.

    rechtmatigheid: de mate waarin in overeenstemming met geldende wet- en regelgeving, waaronder waterschapsverordeningen alsmede besluiten van algemeen en dagelijks bestuur, wordt gehandeld;

  • d.

    doelmatigheid: de mate waarin bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen worden gerealiseerd;

  • e.

    doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde doelen en effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald;

  • f.

    netto-kosten: lasten die aan een bepaald programma, product c.q. kostendrager worden toegerekend en waarvan zijn afgetrokken de baten (met uitzondering van de belasting– en andere algemene opbrengsten) die aan hetzelfde programma, product c.q. kostendrager worden toegerekend;

  • g.

    beleidsproducten: de beleidsproducten die zijn opgenomen in de door de Unie van Waterschappen vastgestelde BBP-productenstructuur;

  • h.

    beheerproducten: de beheerproducten die zijn opgenomen in de door de Unie van Waterschappen vastgestelde BBP-productenstructuur;

  • i.

    Waterschapsbesluit: ‘Besluit van 29 november 2007, houdende regels met betrekking tot de waterschappen‘ (Staatsblad 2007, 497).

Hoofdstuk 2 Beleidsvoorbereiding en verantwoording

Kaderstelling

Artikel 2 (beleids- en verantwoordingscyclus)

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt de onderdelen van de beleids- en verantwoordingscyclus voor het begrotingsjaar en de periode van de meerjarenraming vast en geeft jaarlijks aan op welk moment de onderdelen daarvan moeten worden aangeboden en wanneer deze zullen worden behandeld.

  • 2.

    De beleids- en verantwoordingscyclus bevat ten minste de volgende documenten die jaarlijks aan het algemeen bestuur worden voorgelegd:

    • ·

      de omgevingsscan

    • ·

      het beleidsplan/de voorjaarsnota met de (actualisatie van de) meerjarenraming

    • ·

      de beleidsbegroting

    • ·

      de tussentijdse rapportages

    • ·

      de jaarrekening

Het algemeen bestuur stelt in de beleidsbegroting de programma indeling vast.

  • 3.

    Het waterbeheersplan maakt onderdeel van de beleids- en verantwoordingscyclus uit en wordt eenmaal in de zes jaar vastgesteld.

  • 4.

    Het algemeen bestuur vervult bij De Dommel een kaderstellende, richtinggevende en toetsende functie op strategisch niveau. Het dagelijks bestuur heeft deze functie op tactisch niveau.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat de onderdelen van de beleids- en verantwoordingscyclus voldoen aan de relevante bepalingen van hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit, aan relevante overige wetgeving en aan datgene wat in deze verordening wordt bepaald.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur draagt er toe bij dat er meer uniformiteit en vergelijkbaarheid tussen waterschappen gerealiseerd wordt.

Artikel 3 (programma’s)

Het algemeen bestuur stelt in ieder geval bij de aanvang van een nieuwe bestuursperiode een programma-indeling vast. De programma-indeling blijft staan tot het algemeen bestuur anders besluit.

Beleidsbepaling

Artikel 4 (kaders meerjarenbeleid)

Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks bevindingen over de beleidsuitvoering in het voorgaande begrotingsjaar en mogelijke kaders voor het beleid in de komende begrotingsjaren aan het algemeen bestuur aan.

Artikel 5 (meerjarenraming)

  • 1.

    Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks ter vaststelling een meerjarenraming met toelichting aan het algemeen bestuur aan waarin voorstellen worden gedaan voor het beleid in het volgende begrotingsjaar en 3 daaropvolgende jaren.

  • 2.

    In het onderdeel ‘financiering’ van de toelichting van de meerjarenraming worden opgenomen:

    • a.

      een vermogensbehoefteplanning; een beschouwing over de renteontwikkeling;

    • b.

      een rentegevoeligheidsanalyse.

Artikel 6 (ontwerp-begroting en geplande investeringen)

  • 1.

    Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks ter vaststelling een ontwerpbegroting aan het algemeen bestuur aan waarin voorstellen worden gedaan voor het beleid in het volgende begrotingsjaar.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat er bij de begrotingsbehandeling een overzicht is geagendeerd van de investeringen per programma. Daarbij wordt tevens een meerjarenplanning opgenomen. In dit overzicht zijn opgenomen de raming van de investeringsuitgaven en van de aan de investeringen gerelateerde inkomsten

  • 3.

    Naast de begroting wordt tevens een meerjarenraming gepresenteerd van 3 opvolgende jaren.

Artikel 7 (vaststelling begroting en investeringskredieten)

  • 1.

    Het algemeen bestuur autoriseert met het vaststellen van de begroting de netto-kosten die per programma zijn opgenomen alsmede de dekkingsmiddelen die zijn opgenomen in de begroting naar kostendragers en de wijze waarop over de vastgestelde begroting wordt gecommuniceerd.

  • 2.

    Op basis van het in artikel 6, tweede lid bedoelde overzicht van investeringen in het begrotingsjaar stelt het algemeen bestuur vast van welke investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De uitgaven en inkomsten van de overige investeringen worden bij de begrotingsbehandeling geautoriseerd.

  • 3.

    Voor investeringen die in de loop van het begrotingsjaar in uitvoering worden genomen en waarvoor geen autorisatie is verleend bij de begrotingsbehandeling legt het dagelijks bestuur voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel en een voorstel voor het autoriseren van een investeringskrediet aan het algemeen bestuur voor.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur zorgt er ten aanzien van de raming van de netto-kosten naar programma´s voor dat deze netto-kosten, door middel van kostentoerekening, eenduidig kunnen worden toegewezen aan de beleidsproducten en de beheerproducten.

Uitvoering, sturing en beheersing

 

Artikel 8 (uitvoering begroting)

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zorgt voor het per programma verzamelen en vastleggen van gegevens over de maatregelen die getroffen zijn en prestaties die geleverd worden, de doelstellingen die bereikt worden en de netto-kosten die gemaakt worden, opdat de rechtmatigheid, verantwoording en controle van het beleid, zoals vastgesteld door het algemeen bestuur, kunnen worden getoetst.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zorgt middels realistische kostenramingen er voor dat de netto-kosten van de programma’s en de investeringsuitgaven, zoals geautoriseerd door het algemeen bestuur, niet worden overschreden.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zorgt middels realistische ramingen ervoor dat de dekkingsmiddelen die zijn opgenomen in de begroting naar kostendragers en de inkomsten die in investeringskredieten zijn opgenomen zoals geautoriseerd door het algemeen bestuur, niet worden onderschreden.

Artikel 9 (ruimte bij begrotingsuitvoering)

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd tot overschrijding van geautoriseerde netto-kosten ingeval er sprake is van onvoorziene kosten. Onvoorziene kosten voldoen aan de criteria voor de kosten zijn: onvoorzienbaar, onvermijdbaar en onuitvoerbaar binnen huidige begroting. Het dagelijks bestuur meldt deze overschrijdingen achteraf aan het algemeen bestuur

  • 2.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd de netto-exploitatiekosten van een programma met 2 % van de netto-kosten te overschrijden, met een maximum van € 250.000,- zonder toestemming vooraf van het algemeen bestuur indien de middeleninzet past binnen het vastgestelde beleid en indien de hiervoor benodigde financiële ruimte elders binnen de begroting is gevonden en dat de realisatie van andere programma’s en producten binnen hetzelfde programma niet onder druk komen te staan.. Een dergelijk feit wordt achteraf aan het algemeen bestuur gerapporteerd.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd de voor investeringen geraamde uitgaven per programma met 10% van de uitgaven te overschrijden met een maximum van € 250.000 en de geraamde inkomsten met 2 % van de inkomsten te onderschrijden zonder toestemming vooraf van het algemeen bestuur indien deze mutaties passen binnen het vastgestelde beleid. Een dergelijk feit wordt achteraf aan het algemeen bestuur gerapporteerd.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur stelt een budgethoudersregeling vast waarin een nadere uitwerking van dit artikel wordt gegeven.

     

     

     

Rapportage en interne verantwoording

 

Artikel 10 (actieve informatieplicht, tussentijdse rapportageen begrotingswijzigingen)

 

 

  • 1.

    Het dagelijks bestuur informeert het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk indien de realisatie van het beleid in betekenende mate afwijkt van hetgeen in de begroting is opgenomen.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur informeert het algemeen bestuur door middel van tussentijdse bestuursrapportages over de realisatie en afwijkingen van het beleid dat in de begroting is opgenomen en over de uitvoering van investeringen.

  • 3.

    De inrichting van de tussentijdse bestuursrapportages sluit aan bij de programma-indeling van de begroting.

  • 4.

    De rapportages over zowel exploitatie als investeringen gaan in op de realisatie en afwijkingen tot de begroting groter dan € 250.000,- per programma voor zowel wat betreft de middeleninzet, de maatregelen die getroffen en prestaties die geleverd worden, als de doelstellingen en effecten die worden bereikt. In de rapportages wordt voorts in ieder geval aandacht besteed aan afwijkingen op het niveau van hoofdkostensoorten groter dan 10% of € 250.000 op jaarbasis.

  • 6.

    Indien noodzakelijk doet het dagelijks bestuur in de rapportages voorstellen voor wijziging van de geautoriseerde budgetten en investeringskredieten alsmede bijstellingen van het beleid. Indien nodig legt het dagelijks bestuur een voorstel tot begrotingswijziging aan het algemeen bestuur voor.

Artikel 11 (jaarverslaggeving)

 

  • 1.

    Het dagelijks bestuur legt na afloop van ieder begrotingsjaar verantwoording af aan het algemeen bestuur over de uitvoering van de programma’s door middel van het ter vaststelling aanbieden van het jaarverslag en de door de accountant gecontroleerde jaarrekening en doet een voorstel over de wijze waarop het in het vorig jaar gerealiseerde beleid wordt gecommuniceerd.

  • 2.

    Het algemeen bestuur bepaalt aan de hand van de uitvoering van de programma’s of de beleidsdoelen van de programma’s voor het lopende jaar bijstelling behoeven.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zorgt er ten aanzien van de realisatie van de netto-kosten naar programma´s voor dat deze netto-kosten, door middel van kostentoerekening, eenduidig kunnen worden toegewezen aan de beleidsproducten en de beheerproducten

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten financieel beleid

Artikel 12 (financieel beleid algemeen)

  • 1.

    Het dagelijks bestuur doet voorstellen aan het algemeen bestuur die zijn gericht op het door het algemeen bestuur vaststellen van een volledig en actueel beleid van het waterschap ten aanzien van de volgende onderwerpen:

  • a.

    weerstandsvermogen, risicomanagement;

  • b.

    kostentoerekening en onderbouwing tarieven;

  • c.

    financiering

  • 2.

    In volgende artikelen van deze verordening worden tevens kaders vastgesteld ten aanzien van waardering, activering en afschrijving van activa alsmede ten aanzien van reserves en voorzieningen en kostentoerekening.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat de in het eerste lid bedoelde beleid en de in het tweede lid bedoelde kaders in overeenstemming zijn met de relevante bepalingen van hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit, met andere regelgeving die van toepassing is en met de in het vervolg van deze verordening opgenomen aanvullende eisen.

Artikel 13 (waardering, activering en afschrijving van activa)

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt hierna kaders voor het waarderings-, activerings- en afschrijvingsbeleid vast overeenkomstig artikel 108, tweede lid, onder a, Waterschapswet. Het dagelijks bestuur geeft hier nadere operationele invulling aan. Ieder jaar wordt bij de jaarrekening nagegaan of er aanleiding is het waarderings-, activerings- en afschrijvingsbeleid aan te passen.

  • 2.

    Het beleidskader ten aanzien van waardering, activering en afschrijving van activa omvat in ieder geval:

  • a.

    investeringen met verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs die niet worden geactiveerd:

  • b.

    de wijze waarop het waterschap omgaat met de verplichting uit het Waterschapsbesluit om de bijdragen van eigen personeel en de rente over het tijdvak toe te rekenen aan de vervaardiging van het actief

  • c.

    de afbakening tussen investering en onderhoud;

  • d.

    de afschrijvingsmethode.

  • 3.

    Uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling worden niet geactiveerd, en rechtstreeks in de exploitatie gebracht. De uitgaven kunnen wel geactiveerd worden indien en voor zover zij onderdeel uitmaken van een investeringsproject.

  • 4.

    De uitgaven voor het afsluiten van geldleningen groter dan € 1.000.000 en een looptijd langer dan 5 jaar worden lineair afgeschreven in de jaren van de looptijd van de betreffende geldlening. Uitgaven voor het afsluiten van overige geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 5.

    Voor zover de bijdragen in activa in eigendom van derden op grond van artikel 4.64 van het Waterschapsbesluit mogen worden geactiveerd, worden zij afgeschreven gedurende het aantal jaren dat de betreffende activa naar verwachting door de derde zullen worden geëxploiteerd met een maximum van 40 jaar.

  • 6.

    De overige materiële vaste activa worden lineair afgeschreven conform artikel 12 lid1a.

Artikel 14 (reserves en voorzieningen)

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt hierna kaders voor het beleid met betrekking tot reserves en voorzieningen vast. Het dagelijks bestuur geeft hier nadere operationele invulling aan.

  • 2.

    Het beleid omtrent reserves en voorzieningen, omvat in ieder geval:

  • a.

    de vorming en besteding van reserves;

  • b.

    de vorming en besteding van voorzieningen;

  • c.

    de berekening en verwerking van rente over de reserves en de voorzieningen.

  • 3.

    Als element van het in het tweede lid onder a bedoelde onderdeel reserves wordt voor de reserves die onderdeel uitmaken van de algemene reserves en de bestemmingsreserves die niet zijn bedoeld voor tarief egalisatie per reserve ingegaan op de aard, reden en gewenste omvang.

  • 4.

    Als element van het in het tweede lid onder b bedoelde onderdeel voorzieningen wordt per voorziening ingegaan op de aard, reden en gewenste omvang.

Artikel 14.a. (weersstandsvermogen en risicomanagement)

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt kaders voor het beleid met betrekking tot het weerstandsvermogen en het risicomanagement vast.

  • 2.

    Dit beleid omvat in ieder geval:

  • a.

    een beschrijving van de risico´s die het waterschap loopt;

  • b.

    de weerstandscapaciteit van het waterschap, zijnde de middelen en mogelijkheden van het waterschap om niet begrote kosten te dekken;

  • c.

    het opvangen van risico’s door verzekeringen, voorzieningen, reserves, de weerstandscapaciteit of anderszins;

Artikel 15 (kostentoerekening en onderbouwing tarieven)

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt de kaders vast voor het kostentoerekeningssysteem en de onderbouwing van de tarieven voor derden overeenkomstig artikel 108, tweede lid, onder b, Waterschapswet. Het vaststellen van die kaders vindt niet plaats indien en voor zover wordt afgezien van het heffen van rechten als genoemd in artikel 115 lid 1 Waterschapswet.

  • 2.

    De kaders omtrent kostentoerekening en onderbouwing van tarieven omvat in ieder geval:

  • a.

    een beschrijving van het kostentoerekeningssysteem;

  • b.

    de wijze waarop het waterschap invulling geeft aan de eis uit het Waterschapsbesluit dat de kostentoerekening plaatsvindt op basis van objectieve, bedrijfseconomische criteria;

  • c.

    de kwantitatieve grondslagen die onderdeel vormen van de kostentoerekeningssystematiek;

  • d.

    de methodiek voor de berekening van de rentelasten van vaste activa.

  • e.

    de onderbouwing van de tarieven die gelden voor de door het waterschapsbestuur in rekening te brengen rechten als bedoeld in artikel 115 van de Waterschapswet, zijnde rechten ter zake van:

  • .

    het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde bezittingen van het waterschap of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij het waterschap in beheer of in onderhoud zijn;

  • .

    het genot van door of vanwege het bestuur van het waterschap verstrekte diensten;

  • .

    het behandelen van verzoeken tot het verlenen van vergunningen of ontheffingen;

  • f.

    de onderbouwing van de prijs van producten en diensten die het waterschap aan derden kan leveren, waaronder ook begrepen verhuur, verkoop en erfpachten van onroerende zaken die aan derden kunnen worden geleverd, alsmede de kosten van bestuursdwang, en waarbij onderscheid wordt gemaakt in directe kosten, indirecte kosten en toegerekende kosten;

  • g.

    de mate van kostendekkendheid van de onder e en f bedoelde tarieven.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat er een actueel overzicht is van de tarieven, prijzen en kosten van de in dit artikel bedoelde rechten, diensten en zaken.

Artikel 16 (financiering)

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt in het treasurystatuut de kaders voor de financieringsfunctie vast, overeenkomstig artikel 108, tweede lid, onder c, Waterschapswet. Het dagelijks bestuur volgt bij de uitvoering van de financieringsfunctie naast de genoemde kaders van het algemeen bestuur, overeenkomstig voornoemd artikel, de kaders zoals opgenomen in het Treasurystatuut, voortvloeiend uit de wet FIDO, de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo), Besluit lening voorwaarden decentrale overheden (Bldo), Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (Ufdo), Regeling schatkistbankieren decentrale overheden (Skb) en Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet hof). Het dagelijks bestuur kan een treasurycommissie benoemen die namens het dagelijks bestuur bevoegd is met in achtneming van het treasurystatuut en de overige toepasselijke regelgeving uitvoering te geven aan ( een deel van ) de financieringsfunctie.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat bij de uitoefening van de financieringsfunctie:

  • a.

    goede ondersteuning plaatsvindt van uitsluitend de taken die in dit reglement aan het waterschap zijn opgedragen;

  • b.

    een continue toegang tot de financiële markten is;

  • c.

    voldoende financiële middelen worden aangetrokken en overtollige gelden worden uitgezet om de programma’s binnen de door het algemeen bestuur vastgestelde kaders van de meerjarenraming en de begroting te kunnen uitvoeren;

  • d.

    de volgende risico’s verbonden aan de financieringsfunctie worden beheerst: renterisico’s, kredietrisico’s, interne liquiditeitsrisico’s, koersrisico’s en valutarisico’s;

  • e.

    de kosten van de leningen zo veel mogelijk worden beperkt en er een voldoende rendement op de uitzettingen wordt bereikt;

  • f.

    een bijdrage wordt geleverd aan het bereiken van een financiële balansstructuur die dienstbaar is aan de doelstellingen van het waterschap;

  • g.

    de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities worden beperkt.

  • 3.

    Het risicobeheer van het waterschap wordt gebaseerd op de volgende uitgangspunten.

    De attitude van het waterschap De Dommel ten aanzien van financieel risico is risicomijdend.

 

Risicomijdend houdt in ieder geval in:

 

  • .

    Het beleid ten aanzien van financieringen is erop gericht een spreiding van toekomstige renterisico’s te bevorderen zodat voldaan wordt aan de renterisiconorm en de kasgeldlimiet conform de eisen uit de Wet Fido en er geen overmatige blootstelling aan rentebewegingen optreedt.

 

  • .

    Het beleid ten aanzien van beleggingen is zodanig dat alleen beleggingen kunnen worden gedaan van tijdelijke overschotten en gericht op de beheersing en vermindering van daaraan verbonden risico’s. Dit wordt ingekaderd door de regeling schatkistbankieren.Bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke taak bedingt het dagelijks bestuur indien mogelijk zekerheden.

     

  • .

    Derivaten mogen uitsluitend worden gebruikt ter beperking van financiële risico’s.Verder mag bij het gebruik van derivaten geen niet-effectieve positie worden ingenomen, dat wil zeggen dat de onderliggende waarde en de looptijd vanfinanciële derivaten overeen moeten komen met de financieringsbehoefte waarop zij betrekking hebben. Dit betekent dat bij het komen tot de eerste voorstellen met betrekking tot het gebruik van dergelijke instrumenten het dagelijks bestuur nadrukkelijk vooraf zal worden geïnformeerd over en betrokken bij het besluit over het gebruik van deze instrumenten zodat het doel en het effect van het te hanteren instrument helder en duidelijk gemaakt wordt alvorens te kunnen worden toegepast.

Ten opzichte van de taken die in het reglement aan het waterschap zijn opgedragen heeft de financieringsfunctie een ondersteunende rol. Financiering volgt en is dienstbaar aan deze taken (servicecentrum);

Het algemeen bestuur wordt geïnformeerd indien de kasgeldlimiet of de renterisiconorm dreigen te worden overschreden

 

Het dagelijks bestuur neemt bij de uitvoering van de financieringsfunctie de volgende richtlijnen en limieten in acht:

 

  • a.

    a in besluiten over uitzettingen van middelen, verstrekkingen van garanties en financiële participaties wordt het openbaar belang van dergelijke uitzettingen gemotiveerd;

  • b.

    b op basis van de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden van toepassing kunnen overschotten van liquide middelen alleen bij het rijk (schatkistbankieren) of bij andere Nederlandse decentrale overheden worden uitgezet. Uitzettingen van liquide middelen die tijdelijk niet nodig zijn voor de publieke taak en die afkomstig zijn van aangetrokken leningen voor projectfinanciering hoeven niet in de schatkist te worden aangehouden, maar mogen worden uitgezet bij de financiële onderneming waar de desbetreffende leningen zijn aangegaan, mits deze financiële onderneming voldoet aan de rating- en landeneisen van artikel 2, eerste en tweede lid van de Regeling uitzettingen en derivaten (“tijdelijk overtollige gelden in het kader van projectfinanciering”) (Ruddo, art. 2a, tweede lid).

  • c.

    overtollige geldmiddelen worden uitsluitend uitgezet tegen vastrentende waarden, dan wel in producten waarbij de hoofdsom tenminste aan het eind van de looptijd in tact is

  • d.

    derivaten worden uitsluitend gebruikt ter beperking van financiële risico’s;

  • e.

    overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het uitzetten van middelen of het verlenen van garanties luiden in euro;

  • f.

    de hoofdsom van een verstrekte lening is niet onderhevig aan indexatie;

  • g.

    aandelen worden niet gekocht tenzij dit gebeurt in het kader van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde publieke taken.

Hoofdstuk 4 Paragrafen in begroting en jaarverslag

Artikel 17 (algemeen)

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat de paragrafen in begroting en in het jaarverslag voldoen aan de relevante bepalingen van het Waterschapsbesluit en aan de in deze verordening opgenomen aanvullende eisen.

  • 2.

    In de hieronder genoemde paragrafen van de begroting wordt ingegaan op de wijze waarop in het begrotingsjaar invulling zal worden gegeven aan het desbetreffende onderdeel van het in artikel 12 bedoelde beleid:

  • a.

    Ontwikkelingen sinds het vorige begrotingsjaar;

  • b.

    Uitgangspunten en normen;

  • c.

    Incidentele baten en lasten;

  • d.

    kostentoerekening;

  • e.

    onttrekkingen aan “overige bestemmingsreserves” en voorzieningen;

  • f.

    waterschapsbelastingen;

  • g.

    weerstandsvermogen;

  • h.

    financiering;

  • i.

    verbonden partijen;

  • j.

    bedrijfsvoering;

  • k.

    EMU-saldo.

  • 3.

    Indien het in het tweede lid bedoelde beleid afwijkt van de in het desbetreffende onderdeel van het in artikel 12 bedoelde beleid vastgelegde kaders wordt daarop in de betreffende paragraaf ingegaan, waarbij de reden van afwijking wordt vermeld.

  • 4.

    De paragrafen van het jaarverslag bevatten de verantwoording van hetgeen in de overeenkomstige paragrafen van de begroting is opgenomen. Indien tijdens de realisatie is afgeweken van de kaders die zijn vastgelegd in het desbetreffende onderdeel van het in artikel 12 bedoelde beleid wordt daarop specifiek ingegaan, waarbij de reden van afwijking wordt vermeld.

  • 5.

    Het algemeen bestuur geeft aan welke informatie in de paragrafen wordt opgenomen naast de verplicht te verstrekken informatie vanuit de regelgeving.

Artikel 18 (paragraaf weerstandsvermogen)

  • 1.

    Het dagelijks bestuur geeft in de paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en van het jaarverslag weer de risico’s van materieel belang. Het dagelijks bestuur brengt hierbij in elk geval de risico’s in beeld en actualiseert de risico’s die worden genoemd in het beleid bedoeld in artikel 14.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur geeft in de paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en van het jaarverslag aan wat de weerstandscapaciteit is en in hoeverre schade en verliezen als gevolg van de risico’s van materieel belang met de weerstandscapaciteit kunnen worden opgevangen.

Artikel 19 (paragraaf bedrijfsvoering)

  • 1.

    In de bedrijfsvoeringsparagraaf in de begroting gaat het dagelijks bestuur in op de tijdelijke en actuele onderwerpen die aandacht behoeven.In de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag wordt gerapporteerd over nieuwe ontwikkelingen.

  • Aandachtsvelden kunnen zijn:

  • algemene aansturing van de organisatie

  • personeel- en organisatie

  • kwaliteits-, arbo- & milieuzorg

  • ondersteuning van de cyclus van beleidsvoorbereiding tot en met verantwoording

  • control

  • financieel beleid & beheer (w.o. AO/IC)

  • rechtmatigheid en rechtmatigheidscontrole

  • risicomanagement

  • informatisering

  • communicatietechnologie en automatisering

  • regelgeving/juridisch instrumentarium

  • (geografische) informatievoorziening

  • facilitaire dienstverlening (w.o. huisvesting)

  • 2.

    Het dagelijks bestuur rapporteert in de bedrijfsvoeringsparagraaf van de begroting en het jaarverslag over de plannen en voortgang van de onderzoeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid, bedoeld in artikel 109a van de Waterschapswet, en de uitputting van de bijbehorende budgetten.

Artikel 20 (paragraaf verbonden partijen)

In de begroting en het jaarverslag wordt in de paragraaf verbonden partijen naast de bijdrage van de verbonden partijen in de doelstellingen van het waterschap, het belang van de verbonden partijen in elk geval ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het beëindigen van relaties met bestaande verbonden partijen, wijzigingen bij of ten aanzien van bestaande verbonden partijen en eventuele problemen bij bestaande verbonden partijen.

Artikel 21 (paragraaf

financiering)

In de begroting en het jaarverslag doet het dagelijks bestuur in de paragraaf financiering in ieder geval verslag van:

  • a.

    algemene interne en externe ontwikkelingen die van invloed zijn op de financieringsfunctie;

  • b.

    de relatie met de meerjarenraming;

  • c.

    de ontwikkeling van de rente (rentevisie);

  • d.

    de liquiditeitsprognose en de financieringsbehoefte;

  • e.

    de kasgeldlimiet;

  • f.

    de renterisiconorm;

  • g.

    de rentekosten en renteopbrengsten verbonden aan de financieringsfunctie;

  • h.

    de plannen inzake het risicobeheer, inclusief de eventuele inzet van derivaten.

Hoofdstuk 5 Administratie en organisatie

Artikel 22 (administratie)

Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat de administratie zodanig van opzet en werking is, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in het waterschap als geheel en in zijn organisatieonderdelen;

  • b.

    het geven van een actueel en volledig inzicht in de bezittingen van het waterschap, waaronder ook worden begrepen de niet-geactiveerde objecten met cultuurhistorische waarde (waaronder panden, bedrijfsgebouwen, bedrijfsmiddelen en kunstvoorwerpen) alsmede overige investeringen die niet zijn geactiveerd;

  • c.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa, voorraden, vorderingen, schulden, rechten, verplichtingen, ontvangsten, betalingen, kosten en opbrengsten;

  • d.

    het verschaffen van informatie over baten, lasten, prestaties, maatregelen en effecten aan budgethouders voor zowel de planning, de uitvoering als de verantwoording van de realisatie;

  • e.

    een doelmatig beheer van geldstromen en financiële posities;

  • f.

    een goede interne en externe informatievoorziening over de uitvoering van de financieringsfunctie;

  • g.

    het inzicht krijgen in en bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  • h.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  • i.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 23 (financiële administratie)

Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat:

  • a.

    de inrichting en de werking van de financiële administratie voldoen aan het Waterschapsbesluit en andere relevante wet- en regelgeving;

  • b.

    de financiële administratie tijdig alle door het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur genomen besluiten waaraan financiële gevolgen verbonden zijn alsmede alle overige gegevens en stukken verstrekt krijgt die ten behoeve van een juiste verzorging van de financiële administratie, de verslaggeving en het beheer van de vermogenswaarden nodig is;

  • c.

    de vereiste informatie tijdig verstrekt wordt aan het rijk, de provincie(s), de Europese Unie en het Centraal Bureau voor de Statistiek, alsmede aan andere instellingen die specifieke verantwoordingsverplichtingen opleggen aan het waterschap.

Artikel 24 (organisatie en administratieve organisatie)

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zorgt voor en legt in een besluit vast:

  • a.

    een eenduidige indeling van de ambtelijke organisatie van het waterschap en een eenduidige toewijzing van de taken van het waterschap aan organisatorische eenheden;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;

  • c.

    de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van de begroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend verloopt;

  • d.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • e.

    de te maken afspraken met de verantwoordelijken voor organisatorische eenheden over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    de regels voor de verlening van decharge over het gevoerde beheer van de organisatorische eenheden;

  • g.

    de interne regels (protocol) voor de inkoop en aanbesteding van werken, diensten en leveringen die waarborgen dat wordt gehandeld in overeenstemming met de Europese en nationale regels ter zake;

  • h.

    regels die aangeven welke elementen in ieder geval moeten worden opgenomen in voorstellen voor investeringsbesluiten die aan het algemeen of dagelijks bestuur worden voorgelegd;

  • i.

    regels ter uitvoering van het gestelde in artikel 16, die samen met regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening in een Treasurystatuut worden opgenomen;

  • j.

    de wijze waarop wordt voorkomen dat misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen en eigendommen van het waterschap wordt gemaakt.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur actualiseert de in het eerste lid bedoelde besluiten zodra hiertoe aanleiding is.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zendt de in het eerste lid onder a bedoelde organisatie en regeling ter kennisneming aan het algemeen bestuur.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 25 (inwerkingtreding)

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking van deze verordening en werkt terug tot 1 januari 2016, met dien verstande dat de begroting, de jaarverslaggeving, de uitvoeringsinformatie en de informatie voor derden en de daarbij behorende toelichtingen, zoals bedoeld in de Waterschapswet, het Waterschapsbesluit en deze verordening, die betrekking hebben op het begrotingsjaar 2016 en latere begrotingsjaren voldoen aan de bepalingen van deze verordening.

  • 2.

    De meerjarenramingen die worden opgesteld in begrotingsjaren met ingang van 2016 voldoen aan de bepalingen van deze verordening.

  • 3.

    De beleids- en verantwoordingsfunctie 2008, die is vastgesteld bij besluit van 26 november 2008, vervalt op de dag van inwerkingtreding van deze verordening, met dien verstande dat zij van kracht blijven ten aanzien van de begrotingsjaren tot en met 2015.

Artikel 26 (citeertitel)

Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam “Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie Waterschap De Dommel”

Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur op 13 juli 2016

de voorzitter, de secretaris

Mr. drs. P.C.G. Glas Drs. A.G. Dekker MSc

_______________ ______________

Toelichting

De volgende door het AB en DB vastgestelde uitwerkingen hebben op basis van deze verordening plaatsgevonden:

  • ·

    waarderings-, activerings- en afschrijvingsbeleid;

  • ·

    reserve- en voorzieningenbeleid;

  • ·

    kostentoedelingsverordening;

  • ·

    weerstandsvermogen;

  • ·

    treasurystatuut;

  • ·

    budgethoudersregeling